The New Life Mission

Bijbelse Termen

Taal

Korte Verklaring van Enkele Bijbelse Uitdrukkingen

Geassociëerd met het Evangelie van het Water en de Geest

  • 1. AFKOOPSOM

    De prijs die betaald wordt voor de bevrijding van een gevangen persoon, met hypotheek verzwaard bezit of schulden, de handeling voor het oplossen van een probleem met geld. Meestal gebruikt als de positieve vertegenwoordiging van de verlossing (bijv: Exodus 21:30, ‘losgeld’, Numeri 35:31-32,'verzoening’ Jesaia 43:3, ‘losgeld’). In het Nieuwe Testament, beschrijven Mattheus 20:28 en Markus 10:45 losgeld als “een rantsoen voor velen.”

  • 2. VERZOENEN, VERZOENING

    Het ritueel van het doorgeven van alle zonden van de mensheid aan Jezus. In het Oude Testament was verzoening het doorgeven van zonde aan een offer door het opleggen van handen op diens hoofd. In het Nieuwe Testament betekent dit het doopsel van Jezus door Johannes de Doper. In het Hebreews en Grieks betekent dit woord het doorgeven van zonde aan Jezus Christus zodat de zondaars een goede relatie met God kunnen aangaan. Het Nieuwe Testament beschrijft heel goed de verzoeningsoffering: het doopsel van Jezus en Zijn dood aan het Kruis.  
    IN HET OUDE TESTAMENT: Het woord ‘verzoening’ wordt zo’n 100 keer gebruikt in het Oude Testament en het wordt steeds uitgedrukt als (vb. Leviticus 23:27, 25:9, Numeri 5:8) ‘kaphar’ in het Grieks (meestal geschreven als ‘een verzoening doen’). Verzoening is een vertaling van een Hebreeuws woord dat het doorgeven van zonden door middel van het opleggen van handen op een levende geit en hierbij alle ongerechtigheden van de kinderen van Israël biechtend, significeerd.  
    IN HET NIEUWE TESTAMENT: Verzoening is verwant aan het Arameense woord ‘kpr’ dat “beschermen/ bedekken” betekent. Dit betekent het doopsel van de verlossing van Jezus in het Nieuwe Testament. Jezus kwam in deze wereld en werd op 30-jarige leeftijd gedoopt om de zaligheid van de gehele mensheid te vervullen.

  • 3. DE BIJBELSE VERZOENING

    A. In het Oude Testament werd meestal verzoend door het offeren van een dier (vb. Exodus 30:10, Leviticus 1:3-5, 4:20-21, 16:6-22). 
    B. In het Nieuwe Testament werd het concept van het verzoeningsoffer van het Oude Testament aangehouden, maar de verlossing van de mensheid is te danken aan Jezus Christus. De apostel Paulus zei dat Jezus Christus voor onze zonden stierf  (1 Korinthiërs 15:3). 
    Het woord verzoening werd niet gebruikt om te verwijzen naar de dood van Christus als slechts de uitwissing van de erfzonde, maar om alle zonden van de mensen weg te nemen. En na het doopsel van Jezus, door welke alle zonden van de wereld aan Jezus werden doorgegeven (Mattheus 3:15), redde Hij de mensheid door te bloeden aan het Kruis (Leviticus 1:1-5, Johannes 19:30). 
    De apostel Paulus legt in 2 Korinthiërs 5:15 uit dat ‘Een voor allen gestorven is,’ dan in vers 21, ‘voor ons’ in Galaten 3:13, ‘een vloek geworden zijnde voor ons.’ Onder de vele verzen in het Nieuwe Testament die naar Jezus als het Offer verwijzen (bijv. Efeziërs 5:2), zijn Johannes 1:29, 36 (‘Lam’- Johannes de Doper) en 1 Korinthiërs 5:7 (‘Onze Pascha - de Apostel Paulus). 
    Paulus specifieerde echter dat het doopsel van Jezus in de Jordaan de verzoening voor alle zonden van de wereld was. Hij legt in Romeinen 6 uit dat alle zonden van de wereld aan Jezus waren doorgegeven door het doopsel van Jezus van Johannes de Doper. 
    Hij legt verder uit dat de kruisiging van Jezus het oordeel was en de compensatie voor de zonden, dat het verzoeningsoffer geofferd werd voor alle zielen van alle mensen. 
    De dood van Jezus verduidelijkt ons het verzoeningsoffer van het Oude Testament. Het opleggen van handen in het Oude Testament en het doopsel van Jezus in het Nieuwe Testament zijn in overeenstemming met de Wet van God (Jesaia 53:10, Mattheus 3:13-17, Hebreeën 7:1-10, 18, 1 Petrus 3:21). 
    Het Nieuwe Testament eindigt niet met het doopsel en de dood van Jezus maar gaat verder door ons te vertellen dat ons doopsel in Christus en ons sterven met Hem, de vervulling van de zaligheid is (Romeinen 6:3-7, Galaten 2:19-20). 
    Het verteld ons, dat Jezus Christus door Johannes de Doper gedoopt werd om alle zonden van de wereld weg te nemen en dat Hij gekruisigd werd als resultaat hiervan. Jezus Christus waste door Zijn doopsel en bloed niet slechts de zonden van de wereld weg en verdroeg de daar uit voortkomende pijn, maar hij redde ons ook van de kracht van Satan en hij keerde hem naar de kracht van God door de straf in de plaats van de mensheid te accepteren. 
    Daarom loste de verlossing van Jezus het probleem van de zonde op, die de mensen verhinderde om dichter bij God te zijn. Deze gedenkwaardige gebeurtenis herstelde de vrede en harmonie tussen de mensen en God, het bracht de zaligheid, vreugde (Romeinen 5:11), leven (Romeinen 5:17-18), en verlossing (Mattheus 3:15, Johannnes 1:29, Hebreeën 10:1-20, Efeziërs 1:7, Kolossensen 1:14) tegelijkertijd.

  • 4. DE GROTE VERZOENDAG

    In het Hebreeuws betekent dit concept de dag van het ‘bedekken’ of de ‘harmonie’. De belangrijkste dag voor de Joden was de Grote Verzoendag op de tiende dag van de zevende maand (Leviticus 23:27, 25:9). We kunnen in Leviticus 16 zien dat zelfs de Hogepriester niet de Meest Heilige Plaats kon binnengaan, zonder bepaalde rituelen. 
    De Meest Heilige Plaats zelf had, net als de mensen van Israël, verzoening nodig: dus moest de Hogepriester een offer offeren om de zonden door te geven door zijn handen op het hoofd van het offer te leggen. De kinderen van Israël dachten na over de heiligheid van God en hun zonden op de Grote Verzoendag. 
    Toendertijd werden er 15 offers (inclusief de zondebok), 12 brandoffers en 3 verzoeningsoffers aan God aangeboden (Leviticus 16:5-29, Numeri 29:7-11). Als we ‘het andere lam’ dat in Numeri 28:8 genoemd wordt, ook meetellen, waren er 13 brandoffers en 4 verzoeningsoffers. 
    De dag dat Israël voor de jaarlijkse zonden verzoende was de tiende dag van de zevende maand. Op dezelfde wijze was de Grote Verzoendag voor de hele wereld de dag dat Jezus door Johannes de Doper gedoopt werd. Het was eigenlijk de Grote Verzoendag voor de hele mensheid. Het was de dag dat God alle zonden van de wereld wegwaste (Mattheus 3:13-17). Het was de Grote Verzoendag op welke God “aldus.....alle gerechtigheid vervulde.”

  • 5. HET VERZOENINGSOFFER

    IN HET OUDE TESTAMENT: Net als de andere offers, werd het offer van de zaligmaking in het heilige tabernakel geofferd. De Hogepriester waste zichzelf en legde de heilige linnen gewaden aan in plaats van de gewoonlijke formele kledij voor de rituelen, en hij zocht een jonge stier uit als het zondeoffer en een ram als het brandoffer voor hemzelf en zijn huis (Leviticus 16:3-4). De Hogepriester legde zijn handen op het hoofd van de offerdieren om de jaarlijkse zonden van zijn volk door te geven. 
    Het opleggen van handen was een essentieel onderdeel van de Grote Verzoendag. Als dit niet gedaan werd, zou het offeren van een offer niet uitgevoerd kunnen worden omdat de verzoening voor de zonden niet verkregen kon worden zonder het opleggen van handen, om aldus de jaarlijkse zonden van Israël aan het zondeoffer door te geven. 
    In Leviticus 16:21, “En Aaron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.”
    Hij nam twee geiten als zonde-offers en een ram als een brandoffer van de Israëlieten (Leviticus 16:5). Dan bood hij de twee geiten aan voor de Heer bij de deur van het Tabernakel en trok loten om de ene voor ‘de Heer’ te selecteren en de ander die als ‘zondebok’ diende.
    De geit voor de Heer werd als zonde-offer geofferd, en de zondebok werd levend voor de Heer geofferd om voor de jaarlijkse zonden van de mensen van Israël te verzoenen en werd dan de woestijn ingestuurd (Leviticus 16:7-10). 
    De zonden van Israël moesten aan de zondebok worden doorgegeven d.m.v. het opleggen van handen door de Hoge Priester. Daarna werd de zondebok, die alle zonden van Israël op zich had genomen, de woestijn ingeleidt voor de vrede tussen de mensen en God. Aldus waren alle jaarlijkse zonden van Israël weggewassen. 
    IN HET NIEUWE TESTAMENT: Op dezelfde wijze werd Jezus Christus in het Nieuwe Testament door Johannes de Doper gedoopt (het opleggen van handen in het Oude Testament) en nam alle zonden van de wereld als het offer-Lam op Zich om de zaligmaking van God te vervullen (Leviticus 20:22, Mattheus 3:15, Johannes 1:29, 36). 
    In het Oude Testament doodde Aaron, vóór het trekken van de loten, een jonge stier als zonde-offer voor zichzelf en zijn huis (Leviticus16:11). “Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen den voorhang dragen. En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve. En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen” (Leviticus 16:12-19). 
    Het leggen van Aarons handen op het hoofd van het offer kon niet worden weggelaten. Aaron legde zijn handen op de geit en gaf alle zonden en alle onrechtvaardigheden van Israël aan het hoofd van het offer door. Daarna moest een geschikte man de geit mee de woestijn innemen en hem wegjagen. De zondebok dwaalde met de zonden van Israël op zijn hoofd door de woestijn en stierf uiteindelijk voor deze zonden. Dit was het verzoeningsoffer in het Oude Testament. 
    Op dezelfde manier gebeurde het in het Nieuwe Testament, behalve dat het Jezus Christus was, die de zondebok was, die alle zonden van de wereld op Zich nam door Zijn doopsel, bloedde aan het Kruis en voor ons stierf. 
    Daarom kan de zaligmaking van alle zonden niet gebracht worden zonder het doopsel en de kruisiging van de hemelse Hogepriester, Jezus Christus. Dit is de vervulling van de zaligmaking van de wedergeboorte uit het water en de Geest.

  • 6. HET OPLEGGEN VAN HANDEN, DE WIJDING

    Dit is het proces van het doorgeven van zonden aan het zonde-offer in het Oude Testament (Leviticus 4:29, 16:21). In de tijd van het Oude Testament stond God de mensen toe om voor hun zonden te verzoenen door het opleggen van handen op het hoofd van een offer binnenin het Tabernakel. En het onthuld het doopsel van Jezus dat komen zal in het Nieuwe Testament.

  • 7. DOOPSEL

    Doopsel betekent (1) gewassen worden (2) begraven worden (ondergedompeld worden) en op geestelijk gebied      (3) het doorgeven van zonden door het opleggen van handen, zoals dat in het Oude Testament gedaan werd. 
    In het Nieuwe Testament, was het doopsel van Jezus, door Johannes de Doper, om alle zonden van de wereld weg te wassen. ‘Het doopsel van Jezus’ heeft de betekenis van het wegnemen van de zonden van de mens, en de zonden van de wereld weg te wassen. 
    Jezus werd door Johannes de Doper gedoopt, de vertegenwoordiger van de gehele mensheid en de Hogepriester in de traditie van Aaron, en hij nam alle zonden van de wereld op Zich. Dit was het doel van Zijn doopsel. 
    In de woorden ‘het doopsel van Jezus’ zit een geestelijke betekenis nl. het doorgeven aan, het begraven worden. Dit betekent dat alle zonden aan Jezus werden doorgegeven en dat Hij voor ons in de plaats werd veroordeeld. Om de mensheid te redden, moest Jezus onze zonden wegnemen en ervoor sterven. 
    Aldus is Zijn dood ook de dood van u en van mij, van alle zondaars van de wereld en Zijn herrijzenis is de herrijzenis van alle mensen. Zijn offer is de zaligmaking van de zondaars en Zijn doopsel is de getuigenis van het wegwassen van alle zonden van de mensheid. 
    De Bijbel zegt ons, “Er is een tegenbeeld dat ons nu redt, namelijk het doopsel” (1 Petrus 3:21). Het doopsel van Jezus is de rechtvaardige manier de mensheid te redden door al onze zonden weg te wassen.

  • 8. Zonde

    Zonde zijn alle dingen die tegen God ingaan. Dit verwijst naar alle zonden inclusief de erfzonde en de overtredingen die we zelf gedurende ons leven begaan. 
    Zonde betekent ‘hamartia’ in het Grieks. En ‘zondigen’ is ‘hamartano’ wat zoveel betekent als ‘de plank missen’ met andere woorden; in Jezus geloven maar niet in staat zijn om gered te worden. De waarheid niet te kennen of niet in de waarheid te geloven zijn beide zonden en een misachting van God. Als we werkelijk niet voor God willen zondigen, moeten we de woorden van God correct begrijpen en ons van de waarheid bewust worden dat Jezus onze Verlosser is. 
    We moeten in het doopsel van Jezus en Zijn Kruis geloven door de woorden van God. Het is een zonde het woord van God niet te accepteren en van de waarheid af te wijken om in valse theorieen te geloven. 
    De Bijbel vertelt ons dat het niet geloven in God, die alle zonden van de wereld wegwaste, de meest serieuze zonde is. We moeten in de geboorte van Jezus geloven, in het wegwassen van de zonde door Zijn doopsel en in Zijn opoffering van Zijn leven met Zijn bloed aan het Kruis. Het is een zonde als iemand niet in de geschreven woorden gelooft dat Jezus was gedoopt en aan het Kruis stierf en uit de dood herrees om ons van onze zonden te bevrijden.

  • 9. BEROUW

    Als iemand, die van God is weggedreven, zich van zijn zonden bewust wordt en Jezus dankt voor het wegwassen ervan en hij hierdoor weer dichter bij God komt, noemt men dat berouw. 
    Wij zijn allemaal opeenhopingen van zonden. Werkelijk berouw is om de volgende waarheid toe te geven. We moeten toegeven dat we zondaars zijn voor God, en dat we ons hele leven lang kunnen zondigen en naar de hel zullen gaan als we sterven. We moeten ook toegeven dat we Jezus ontvangen hebben door te geloven dat Hij naar deze wereld kwam om ons zondaars te redden en dat Hij alle zonden wegnam (door Zijn doopsel) en dat hij stierf en uit de dood herrees om ons te redden. Werkelijk berouw is om onze eigen gedachten op te geven en naar God terug te keren (Handelingen 2:38). 
     Berouw is om onze zonden toe te geven en terug te keren naar het Woord van God, om de zaligmaking van het water en het bloed met ons hele hart te accepteren (1 Johannes 5:6). 
    Het ware berouw is de erkenning dat we absolute zondaars zijn en in Jezus geloven, de Zoon van God, als onze Verlosser die ons redde van al onze zonden. Om gered te worden en van alle zonden gewassen te worden, moeten we stoppen met het proberen om door onze eigen werken schoon te worden en toegeven dat we voor God en Zijn Wetten absolute zondaars zijn. Dan moeten we de waarheid accepteren, de zaligmaking uit het water en de Geest, de zaligmaking die Jezus ons gaf met Zijn doopsel en bloed. 
    Een zondaar moet al zijn gedachten en zijn eigen wil opgeven en volledig terugkeren naar Jezus. We zullen gered worden als we beginnen te geloven dat het doopsel van Jezus er was om al onze zonden aan Hem door te geven. 
    Met andere woorden, geloof in het feit dat het doopsel van Jezus, Zijn kruisiging en Zijn herrijzenis de wijze was om de zondaars te redden. Jezus kwam in het vlees en werd gedoopt en gekruisigd om al onze zonden weg te wassen. Zij die in dit alles geloven en geloven dat Jezus herrees om de Verlosser te worden van iedereen die in Hem geloven, hebben waar berouw en het echte geloof.

  • 10. ZALIGMAKING

    De zaligmaking in het christendom betekent ‘verlossing van de macht of straf van zonde.’ We ontvangen de zaligmaking als we toegeven dat we naar de hel zullen gaan voor onze zonden en als we geloven dat Jezus ons van al onze zonden redde door Zijn geboorte en doopsel en het bloed aan het Kruis. 
    Zij die gereinigd zijn van de zonden door in de zaligmaking, het doopsel en het bloed van Jezus, te geloven, noemen we ‘de geredde, de wedergeborenen, de rechtvaardigen.’
    We kunnen het woord ‘zaligmaking’ gebruiken voor hen die van al hun zonden gered zijn, inclusief de erfzonde en hun dagelijkse zonden, door in Jezus te geloven. Net als een verdrinkende man gered kan worden, kan een mens die in de zonde van de wereld verdrinkt ook gered worden, door te geloven in Jezus als zijn Verlosser, door te geloven in Zijn doopsel en bloed, door te geloven in de woorden van de geestelijke waarheid.

  • 11. WEDERGEBOORTE

    De tweede keer geboren worden.’ Een zondaar is wedergeboren en wordt rechtvaardig als hij geestelijk gered is door in het doopsel van Jezus en in Zijn Kruis te geloven. 
    We zijn geestelijk wedergeboren door in het doopsel en het bloed van Jezus te geloven. De wedergeborenen zijn zij die van al hun zonden zijn schoongewassen en die ‘zonder zonde op de komst van Jezus wachten’ (Hebreën 9:28).

  • 12. VERZOENING VOOR DE ZONDEN

    Dit belangrijke concept is ook bekend als de vergeving van de zonden. De zonden zijn vergeven als wij gereinigd worden van alle zonden, voor eens en altijd, door het evangelie van het water en de Geest. Het geloof in het evangelie van het water en de Geest is om in het bestaan van Jezus te geloven als de Zoon van God, Zijn afdaling naar de wereld als een mens, Zijn doopsel en kruisiging voor de zaligmaking van ons allemaal.   
    De verlossing die Jezus de mensheid gaf is door het geloof in Zijn doopsel en bloed (zoals staat genoteerd in het Oude Testament) dat Jezus Zelf alle mensen zou redden van de zonde. De verlossing in de Bijbel verwijst naar het wegwassen van de zonden door het geloof in het doopsel van Jezus en in Zijn bloed. Alle zonden werden aan Jezus doorgegeven, dus er zitten geen zonden meer in de harten van de mensen. 
    We kunnen onszelf de verlosten en de rechtvaardigen noemen alleen door al onze zonden aan Jezus door te geven door in Zijn doopsel te geloven.

  • 13. JEZUS CHRISTUS

    JEZUS: ‘De Verlosser die alle mensen redde van hun zonden en de bestraffing voor de zonden.’ Jezus betekent de Verlosser, Degene die alle mensen van hun zonden zal redden. 
    CHRISTUS: ‘De gezalfde.’ Er waren drie officiële rollen waarvoor mensen door God gewijd werden. Jezus vervulde ze alle drie. 
    (1) die van een Koning,
    (2) die van een Profeet
    (3) die van een Priester
    Jezus Christus was alle drie. Hij deed het werk van alle drie. We moeten in Jezus als de Koning geloven, de Profeet en de Priester die ons leerde over de verlossing en de zaligmaking, aldus noemen we hem ‘Jezus Christus’. Hij was de hemelse Hogepriester die ons allemaal met Zijn doopsel en bloed van de zonden van de wereld redde. 
    Daarom is Hij de Koning van iedereen die in Hem geloven. En Hij maakt ons bewust van onze zonden als we voor Hem komen te staan. Hij leerde ons dat we zondaars zijn vanaf de tijd van onze voorouders, en dat wij als de afstammelingen van de zondaars, geboren zondaars zijn, en dat we als resultaat hiervan onder Gods oordeel staan. 
    Hij leerde ons ook dat we gereinigd zijn van onze zonden door Zijn doopsel en bloed. Hij deed al deze werken voor ons zondaars.

  • 14. DE WET VAN GOD; DE TIEN GEBODEN

    Het essentiële van alles is dat we ons aan de Tien Geboden voor God moeten houden, en er zijn 613 artikelen die het dagelijks leven betreffen. Er zijn geboden en verboden zoals “Gij zult” en “Gij zult niet”. Dit zijn de richtlijnen om naar te leven, en de Geboden van God werden ons gegeven om ons van onze zonden bewust te maken. Door de geschreven geboden van God, kunnen we ons realiseren hoe weinig we God gehoorzamen (Romeinen 3:19-20). 
    De reden waarom God ons Zijn geboden gaf is zodat wij ons onze zonden realiseren. We kunnen ons nooit aan al Zijn Geboden houden, dus moeten we nederig het feit accepteren dat we zondaars zijn, voordat we in Jezus geloven. We moeten nooit de zonde van de arrogantie begaan door te proberen om volgens Zijn geboden te leven. We zijn allemaal zondaars en God weet dat we nooit volgens Zijn Wet kunnen leven. Hij kwam dus naar deze wereld als een mens, werd gedoopt en veroordeeld tot het Kruis. Men leeft met de zonde van de arrogantie als men probeert volgens Zijn geboden te leven. We zouden dat niet moeten doen. 
    De Wet toont ons hoe onvolmaakt wij zijn en hoe Heilig God is, en hoe zwak wij mensen eigenlijk zijn. Met andere woorden, de Heiligheid en Perfectie van God wordt door de Wet van God geopenbaard.

  • 15. DE JORDAAN WAARIN JEZUS GEDOOPT WERD

    De rivier de Jordaan stroomt snel in de Dode Zee waar geen levend wezen bestaat. De oppervlakte van de Dode Zee ligt veel lager dan zeeniveau. Het water van de Dode Zee kan nergens heen stromen omdat het ingesloten is in de Dode Zee. 
    Jezus werd door Johannes de Doper in de rivier van de dood (de Jordaan) gedoopt. 
    Het vertegenwoordigt dat alle menselijke wezens behalve zij die zonder zonde in hun hart zijn, tegen het einde, de eeuwige verdommenis tegenmoet moeten treden voor hun zonden. 
    Daarom is de Jordaan de rivier van het wegwassen van de zonden, de rivier waar zondaars sterven. Kort gezegd is het de rivier van de verlossing waar alle zonden van de wereld weggewassen werden door Zijn doopsel, het doorgeven van de zonden aan Jezus.

  • 16. De Rechtvaardigen

    Degenen die door in het evangelie van het water en de Geest te geloven, de verlossing van alle zonden hebben ontvangen en voor God zondeloos zijn geworden, worden de rechtvaardigen genoemd. Romeinen 4:7-8 zegt, "Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn; Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent." De zaligen verwijst hier naar niemand minder dan de rechtvaardigen die de verlossing van de zonden hebben ontvangen. Omdat God heilig en gerecht is, keurt Hij de mensen die zonden in hun hart hebben, niet goed als rechtvaardigen. Om van onze onwettige daden vergeven te worden en om onze zonden bedekt te hebben, moeten we zondeloos en heilig worden door werkelijk in Jezus Christus te geloven, d.w.z. door te geloven dat we onze zonden aan Jezus hebben doorgegeven door Zijn doopsel en dat Jezus voor ons indirect de lonen voor onze zonden heeft betaald door Zijn dood aan het Kruis.
    Omdat God niet kan liegen, keurt Hij nooit mensen die zonden hebben, goed als rechtvaardigen. In tegendeel, Hij veroordeelt ze en werpt ze in het vuur van de hel. Om voor God zondeloos te worden, moeten we in ons hart geloven dat al onze zonden van het verleden, heden en de toekomst in een keer aan Jezus zijn doorgegeven toen Hij door Johannes de Doper gedoopt werd en we moeten daarmee onze zonden uit ons hart snijden. Als dusdanig verwijzen de rechtvaardigen voor God dus naar degenen die in hun hart zondeloos zijn geworden door in het doopsel van Jezus en het Kruis geloven. Als sommige mensen nog steeds zonden in hun hart hebben, zelfs als zij in Jezus geloven en nog steeds gebeden van berouw geven, dan zijn zulke mensen zondaars en niet de kinderen van God.
    God rechtvaardigde de goddelozen niet (Exodus 23:7) want Hij kan niet liegen. Degenen die het doopsel van Jezus weglaten en slechts in het bloed aan het Kruis geloven, kunnen daarom nooit rechtvaardig worden.